From LOT ONBEKEND … FATE UNKNOWN ( Dutch/English)

Ik hou van niets, ik haat niets. Ik ben gewoon wie ik wil zijn. Hier word ik niet afgeleid door anderen met steeds weer veranderende meningen. Hier voel ik mij de reizende pelgrim, een gevangene, een slaaf van mijn eigen zijn.

Ik voel me één met het grootse om mij heen. Ik ben me bewust van het gevaar want mijn schip is klein en de zee is zo groot. Ik kijk soms, op die windstille dagen met een zee als een spiegel, in de verre diepte en zie schitteringen van licht in de oneindigheid waartussen vissen zwemmen. Ik ben. Ik besta onder de tropenzon of onder de stormluchten van de hoge breedten. Onder de Grote Beer en onder het Zuiderkruis. Op de lange passaatdeining in de equatoriale stiltezone en tussen de steile stormgolven van de Noord-Atlantic of de “roaring forties “ in de Zuidelijke oceanen.

Albatrossen spelen hoog in de lucht. Ik zie ze nauwelijks hun vleugels bewegen. Ik kijk slechts. Ik weet dat albatrossen altijd terug komen naar hun geboorteplek. Het mag dan jaren duren. Ze zweven soms de wereld rond. Hoog in de lucht, zwevend op de luchtstroom.

Ik glimlach vaak als ik hier aan denk. Mijn eiland ligt daar voor mij. Bomen langs het gele strand. Helder blauw water. Een lagune om te ankeren. Een plek om te zijn. Ik lach hardop en schrik van mijn eigen geluid. Het klinkt schraperig, ruw, etterig en grijs. Om mijn benen wat te strekken loop ik op het strand heen en weer. Dit paradijs laat mij de strandlelies vergeten.

I do not love, I do not hate. I’m just who I want to be. Here I am not distracted by others with constantly changing opinions. Here I am the traveling pilgrim, a prisoner, a slave of my own being. I feel one with the grandness around me. I am aware of the danger because my ship is small and the sea is so big. I sometimes look, on those windless days with a sea like a mirror, in the far depth and see glare of light in the infinity where fishes live. I am. I exist under the tropical sun or under the storms of the high latitudes. Under the Great Dipper and under the Southern Cross. On the long swell in the trade of silence and between the steep storm waves of the North Atlantic or the “roaring forties” in the Southern oceans.

Albatrosses play high in the air. I hardly see them moving their wings. I just watch. I know that albatrosses always come back to their birthplace. It may take years. They sometimes travel around the world. High in the air. I often smile when I think of this. My island is there for me. Trees along the yellow beach. Clear blue water. A lagoon to anchor. A place to be. I laugh out loud and frighten my own sound. It sounds scrapey, rough, purulent and gray. To stretch my legs a bit I walk back and forth on the beach. This paradise lets me forget the lilies on that beach.