Gedachten tussen de Alaska reis en Het leven op aarde van J. Slauerhoff ( in Dutch only)

Tekst uit HET LEVEN OP AARDE van J. SLAUERHOFF

Een lage lange bergrug liep terug naar het Land der Sneeuw, de top waartegen ik had opgezien rondde zich op het eind, de zon lag er naast. Het was niet groot en overweldigend, niet meer dan een pijp met de lange steel en het lampje dat er naast gloeit. En de wolken dreven erboven als de rook die de gelukzalige heeft geademd.

Ook dat begeerde ik niet meer.

Ik zou soms terugverlangen naar Wan Tsjen, steeds weer in jarenlange meditaties verzonken of in strijd tegen het geestenleger. Zou hij mij niet, als ik mijn jaren in het rijk had rondgezworven, ergens opwachten? Het had geen zin. Tegen hen die hij bestreed was ik machteloos. Toch verlangde ik naar hem als mijn laatste metgezel.

Maar wellicht gaan in het rijk vele schimmen rond zooals ik, en zullen wij elkaar menschelijk begroeten, in berookte herbergen bijeenzitten om slechte maar warme wijn, gedachten wisselen en inscripties lezen, die vroeger voorbijtrekkenden daar in de muren hebben gegrift, die de tijd niet kan uitwisschen en waaraan de levenden zich nooit zullen vergrijpen. Zoo zal het verder niet eens zoo eenzaam zijn en zal ik tenslotte ook het westelijk paradijs vergeten, zal er niet eens rouw overblijven dat ik geen andere zin dan mijzelf vond voor mijn leven op aarde.