Uit LOT ONBEKEND blz 63

Die middag zag hij, ver onder hem, de zee. Blauw en sereen onder de wolken. Losse slierten geelbruine kelp lagen in hopen op de vloedlijn. Grote hoeveelheden wier, dat door de storm van de grasbanken was losgescheurd en met de golven was mee gerold, vormen hier en daar bosjes, dat er onder water zwart, groen maar op het strand gebleekt uitzagen. Soms dreef er mee gespoeld drijfhout. Er zal bij iemand die gevoel heeft voor de aard der dingen, zeker een diep, troebel verband groeien tussen de onstuimige zuiverheid van de zee, dat in het van zout verzadigde wier heerste en het bederf, dat bedekt was met een vieze gele substantie, waarvan men niet weet of het schuim is of plantengroei.

Hij hurkte in het zand en keek naar de zon op de watervlakte. Aan de horizon dreven eilandwolken op een zalmkleurige droomzee. Meeuwen zweefden in silhouet. Verderop langs de kust dreunde de trage branding. De branding dreunde in de duisternis, de zee deinde in het twinkelende sterrenlicht en de lange bleke rollers kwamen uit de nacht aanzetten en liepen stuk op het strand.

Aan de horizon, in een verte waar geen mens weet van heeft, verdronken de sterren en verplaatsten walvissen hun reuze lichamen door het naadloze water.