The silenced mind

Something safe can become a prison.
Walls being too familiar, keeping out the world
While tenderly preserving a monastic sanctity.
When did it all become such a threat?
Peace being lost in the claiming of freedom…
We wait, we tremble
While wars are being fought
Inside the caves
Of the silenced Mind.

Er zijn dingen die voor ons, mensen, te groot zijn: pijn, eenzaamheid en dood, maar ook schoonheid, verhevenheid en geluk. Daarvoor hebben we de religie geschapen. Wat gebeurt er als we die verliezen? Die dingen zijn dan nog steeds te groot voor ons. Wat ons blijft is de poëzie van het individuele leven. Is die sterk genoeg om ons te dragen?
(Nachttrein naar Lissabon Pascal Mercier)

Lang geleden volgde een jonge vreemdeling het pad naar de top van Djudi. Hij was een vrome pelgrim, hij wilde gaan bidden op de heilige grond van de Ark. De tocht was moeilijk en gevaarlijk en de pelgrim raakte uitgeput. Toen ontmoette hij in het desolate rotslandschap een man die naar beneden kwam. De pelgrim vroeg hem of het nog ver was naar het heiligdom. Héél ver, antwoordde de man in het voorbijgaan. Die man was de vermomde Satan. De jonge pelgrim werd wanhopig toen hij dat hoorde, hij dacht dat hij nooit de top zou kunnen halen. Hij bouwde zich ter plekke een stenen hut en bleef daar wonen tot aan zijn dood. Die kleine ruïne, de verlaten woonplaats van de kluizenaar, is volgens Ishak nog steeds te zien, en de mensen van Hassana leverden het verhaal van de eenzame pelgrim over van generatie op generatie. Ze noemden die plek onder de top van de berg de Djudi Wens. 

Oost, West
Ik ben wel thuis, maar houd de deur op slot.
Zodoende denken ze, als ze aan de deur komen,
dat ik niet thuis ben.
Maar ik ben er wel.
Het is waarlijk juist en passend
dat ze denken dat ik niet thuis ben,
want ik wil alleen zijn, met U.
En tegen U praten en schreeuwen, al geeft u geen antwoord.
( Gerard Reve )

Bij de zee, de woeste, nacht’lijke zee. Staat een jongeman. Zijn borst vol weemoed, het hoofd vol twijfel. En met duist’re lippen vraagt hij de golven: Oh, antwoord mij het levensraadsel.Het kwellende, oer-oude raadsel. Waarover reeds vele hoofden braken. Hoofden in hiërogliefenmutsen gestoken. Hoofden in tulband en zwarte baret. Pruikenhoofden en duizend andere arme, zwetende mensenhoofden. Zeg mij, wat betekent de mens? Vanwaar is hij gekomen? Waar gaat hij heen? Wie woont daar boven op gouden sterren? De golven mompelen hun eeuwig gemompel. De wind waait, de wolken in vlucht.  De sterren blinken, onaangedaan en koud. En een dwaas wacht op antwoord.

(Heinrich Heine)